Wat noem jij ondraaglijk lijden?

De vraag staat in een checklist voor het gesprek tussen arts en patiënt. Het is een aanknopingspunt voor een wilsverklaring. “Schrijf op wat je niet wilt meemaken. Doe dat heel concreet. Als je praat over ellende die je van heel dichtbij hebt meegemaakt, geef dat dan aan.”

Iedereen heeft wel een specifieke angst. Voor kanker, voor volledige lichamelijke afhankelijkheid. Ook het verpleeghuis staat hoog op de lijst. Dement worden. Veel mensen denken dat wie ingehaald wordt door de vergetelheid geen euthanasieverzoek kan doen. De overheid spreekt dat tegen, maar makkelijk is het niet.

Wie een zachte dood wil reserveren moet ruim op tijd beginnen. Een gedetailleerde verklaring schrijven. Een goede relatie opbouwen met een arts die in de praktijk bereid is om euthanasie te plegen. Is dat mogelijk?

Kun jij vooraf de specifieke omstandigheden beschrijven waaronder jij ondraaglijk zou lijden? Ik denk het niet. Zodra je een ernstige ziekte krijgt, zal die grens namelijk verschuiven. Wat ondraaglijk is, hangt af van de omstandigheden van dit moment.

En als jij te ver heen bent om het zelf te zeggen? Kunnen jouw partner, je ouders of je kinderen van je gezicht aflezen wanneer dat moment er is? Kan de dokter dat?

Misschien is dat moment niet eens zo heel belangrijk. Dementie is een onomkeerbaar proces. Als we euthanasie toepassen weten we vrijwel zeker dat we de patiënt toekomstig lijden besparen. Het gaat toch juist om mensen die geen zinvolle relaties meer met hun naasten kunnen onderhouden. Die herkennen ze niet eens meer. Ze vergeten een gezellige middag zodra het stalen gordijn van de lift wordt dichtgeschoven.

Wacht even: We hadden het over euthanasie en nu zijn we bezig om de waarde van het leven in een verpleeghuis te bepalen. We horen de naasten, de arts, de verzorgende, de verzekeraar, de econoom en de politiek. De dementerende neemt geen deel aan de discussie.

Kayakangst II

Mensen verdrinken als gevolg van kayakangst. Daar zijn een paar wetenschappelijke artikelen over geschreven. Ik heb me het woord toegeëigend en het naar de huidige situatie vertaald. Voor mij is het belangrijkste dat de angst niet rechtstreeks voortkomt uit de situatie. Wie verongelukt door kayakangst doet dat bij helder weer, in een zeewaardige kano. Het grootste gevaar ben je zelf.

De zeereiziger in nood heeft geen tijd om bang te worden. Acuut, reëel gevaar is enerverend. Het maakt je boos, of bijna ironisch kalm. Onvermoede krachten komen boven.

Kayakangst doet het tegenovergestelde. Het is alsof je verdampt, er blijft alleen een plasje gesmolten schepijs van je over. Machteloos, nutteloos, vreugdeloos. Of je bent permanent overprikkeld. Een versleten dierentuintijger die met een getergd “Wat moet je?” reageert op elke nieuwe situatie.

Een paar jaar geleden was ik in Portugal, in een klein dorpje waar die winter slechts vijftien procent van de toeristenkamers bezet was. Op straat zag ik Nederlandse echtparen. Ze liepen voorzichtig, vanwege hun leeftijd. Arm in arm. Er waren zo weinig mensen dat ik blij was als ik ze tegenkwam.

De sfeer in het dorp was post-apocalyptisch. We liepen allemaal rond in een omgeving die te grootschalig voor ons was. De structuren waren afgestemd op vakantiegangers, niet op oudjes die voor de winter waren gevlucht en die een pak koffie in hun koffer hadden meegenomen, zodat de schichtig langs de lege terrassen konden lopen, op weg naar een schemerige hotelkamer.

Ik was daar alleen, op zich al verdacht. Wie ik aansprak kromp ineen. Angstscenario’s overschaduwden elke denkbare goede bedoeling. Dat was mijn eerste kennismaking met kayakangst. Sindsdien heeft de aandoening zich verspreid, tot in mijn eigen hoofd.