Categorie: politiek

Twee kanten

Op een regenachtige dag stond ik ’s morgens vroeg bij mijn tandarts voor een dichte glazen deur. In de schemerige ruimte zag ik een emmer witkalk op de balie. Op het raam zat een briefje: “Wij zijn gesloten”. Eronder stond een telefoonnummer, maar toen ik belde nam niemand op.

Een paar dagen later kreeg ik een assistente aan de lijn. Ze reageerde laconiek en zei dat ik  “maanden geleden” al was gebeld. En dat ik had gezegd dat ik contact op zou nemen om een nieuwe afspraak te maken. Zou ik dat vergeten zijn? Het leek me onwaarschijnlijk. Ik ben namelijk erg punctueel: volgens mijn familie en vrienden op het krampachtige af. Bij zo’n telefoontje zou ik erop aangedrongen hebben om meteen een nieuwe afspraak te maken.

“Een nieuwe afspraak maken dan maar?” vroeg de assistente.
“Daar denk ik nog even over na.”

Ik had het impulsief gezegd. Vanwege die laconieke reactie. Ik voelde me niet serieus genomen. Al voor dit gesprek had ik op internet, waar ik vergeefs naar een e-mailadres van de praktijk zocht, een paar beoordelingen van de tandarts gevonden. Die deden me denken aan onze eerste ontmoeting. Tijdens het lange onderzoek vermaakte hij de assistentes met een verhaal over de 6 euro administratiekosten voor een snelheidsboete. Hij bezon zich op mogelijkheden om onder die betaling uit te komen. Het leek hem allemaal heel onrechtvaardig, dat extra bedrag.

Het deed me denken aan een stukje Jeeves en Wooster, waarin de oudoom van Bertie Wooster woedend door de eindeloze gangen van zijn landhuis beende omdat hij na verrekening van alle kosten 13 pond belasting moest betalen. De assistentes hoorden het zwijgend aan. Ik ook, want ik was bij mijn vorige tandarts weggegaan omdat zijn assistentes tijdens de behandeling voortdurend kwamen binnenvallen met vragen van administratieve aard.

Misschien kon deze man beter multitasken dan de vorige? Ik kon toch moeilijk weer een nieuwe tandarts gaan zoeken?

Inmiddels waren we enkele jaren verder. Het briefje en de witkalk hadden me een slecht voorgevoel gegeven. Na het onbevredigende gesprek met de assistente besloot ik me verder te oriënteren. Het idee van een nieuwe afspraak met deze tandarts sprak me steeds minder aan. Op internet vond ik al snel een andere. Besprak de procedure. Meldde me aan. “U krijgt van ons een afspraak voor een intake. En vraag uw vorige tandarts of hij ons de gegevens wil mailen.”

“Op internet heb ik gelezen dat deze tandarts daar geld voor vraagt.”
“Dat lijkt me sterk,” lachte de assistente. “Zoiets heb ik echt nog nooit gehoord.”

Maar haar collega deed het toch, toen ik later die middag terugbelde. Ik vroeg of ze de gegevens eerst naar mij wilde sturen en ze reageerde bot: “Daar zijn kosten aan verbonden.”

Nog later die middag belde de tandarts zelf. Hij sprak mij vaderlijk toe: “Elk verhaal heeft twee kanten. En u was vanmiddag erg boos.”

Ik zei dat ik me van die boosheid niets kon herinneren. En van hun telefoontje “maanden geleden” ook niet. En dat er inderdaad twee kanten aan dit verhaal zaten. Vanwege het gebrek aan aandacht voor mijn kant had ik een nieuwe tandarts gezocht.

De tandarts wilde het gesprek netjes afronden. Blijkbaar had het de praktijk geen goed gedaan dat eerdere weggelopen patiënten hun ervaringen hadden verwerkt door op een klachtensite hun mening te geven. “VVD-er” stond er. “Arrogant.”

Zoiets leek me niet chique.

Een week later viel mijn dossier op de mat. Daarin had het verhaal nog maar één kant:

De assistente had mij wel gebeld.
Ze had zelfs gezegd dat ze het vervelend vond.
Ik was boos geworden.

Volgens het patiëntenrecht heb je als hulpvrager het recht om fouten in je medische dossier te corrigeren. Dat lijkt prachtig, maar de praktijk is anders. De mening van een zorgverlener over jou, of het nu een diagnose is of een andere observatie, blijft staan. Dus heb je volgens de dokter spanningshoofdpijn, dan heb je alleen het recht om een brief toe te voegen waarin jij toelicht wat je eigen ideeën zijn.

De Consumentenbond ontdekte in 2015 dat sommige artsen inzage weigeren. Ook de privacy rondom dossiers wordt niet goed bewaakt.

Omdat ik de gegevens nu zelf in handen heb, kan ik kiezen. Ik kan de inzichten van mijn vorige behandelaar netjes afleveren bij de nieuwe, in de hoop dat die werkelijk van mening is dat een verhaal twee kanten heeft. Of ik geef een toelichting op de gang van zaken, waarbij ik de privacy van de vorige behandelaar respecteer. Of niet.

Ik ben een verklaard tegenstander van het elektronisch patiëntendossier omdat ik niet geloof dat medische gegevens goed worden beschermd. (Op de enveloppe van mijn tandarts stond bijvoorbeeld niet: MEDISCH GEHEIM.) Een verkeerde inschatting van een hulpverlener kan je jarenlang achtervolgen en zelfs het opvragen van je gegevens wordt soms beschouwd als een motie van wantrouwen. Correcties toevoegen of eisen dat je dossier wordt vernietigd betekent meestal het einde van wat een vertrouwensrelatie zou moeten zijn. Uiteindelijk is de gang van zaken rondom medische dossiers een uitstekend voorbeeld van de machtsongelijkheid in de gezondheidszorg. Juist door die machtsongelijkheid is de bejegening van groot belang. Dat geldt voor alle medewerkers van een zorginstelling. En laten we vooral niet vergeten dat sommige fouten met medische dossiers dodelijk zijn.

Reacties en ervaringen (positief of negatief!) zijn welkom.

Advertenties

Hij dacht dat hij god was

Het is een angstwekkend idee: opgenomen worden in een psychiatrische inrichting, terwijl je geen psychische ziekte hebt. Omringd worden door mensen die angstig, somber, machteloos, misschien zelfs gewelddadig zijn. Ervaren dat het onmogelijk is om je te onderscheiden door normaal gedrag.

Psychiatrische inrichtingen zijn onleefbaar, tenzij je een psychische stoornis hebt. Voor psychiatrische behandelingen geldt hetzelfde. Want wie zou vrijwillig een stroomstoot door zijn hoofd laten jagen? Of medicijnen nemen met het meest ongunstige bijwerkingenprofiel (chemotherapie uitgezonderd)?

De onuitgesproken overtuiging is, dat mensen met een psychiatrische aandoening een buitencategorie vormen. Medicijnen die bij anderen onaanvaardbare bijwerkingen geven, zorgen ervoor dat hun stemmen stilvallen. Shocktherapie tast het geheugen aan, het meest intieme deel van de menselijke persoonlijkheid, maar dat is een gewenst effect als je ernstig depressief bent en uitsluitend toegang hebt tot nare herinneringen.

En de leefomstandigheden in zo’n instelling?

Dat heeft natuurlijk met kosten te maken. En we kunnen ons troosten met de gedachte dat mensen die in onze ogen niet normaal zijn een ander referentiekader hebben, waardoor ze geen waarde hechten aan privacy of andere privileges die wij vanzelfsprekend vinden.

Het verhaal van Louis Doedel

Louis Doedel werd geboren in 1905. Hij groeide op in de kolonie Suriname, waar politieke onruststokers niet welkom waren. Begin jaren ’30 was hij vanuit Curacao gedeporteerd vanwege politieke werkzaamheden. Terug in Suriname richtte hij het Surinaams Werklozen Actiecomité op. Men wilde het Gouvernement ertoe bewegen werkgelegenheidsprogramma’s op te richten.

In 1931 lopen 3000 mensen mee in een grote demonstratie. Er wordt een petitie aangeboden aan gouverneur Rutgers. Er komt een beetje beweging in de zaak, maar Doedel blijft actief. Hij ontwikkelt zich in socialistische richting en doet aan arbeidsbemiddeling, tot hij in 1937 voor de deur staat bij gouverneur Kielstra. Hij wil een petitie aanbieden. Men laat hem niet binnen.

Volgens sommigen meldt hij zich die nacht opnieuw, nadat hij zich witgemaakt heeft met klei. Anderen beweren dat hij zijn broek laat zakken en de machthebbers de rug toekeert. Hij wordt in elk geval gearresteerd en ter observatie opgenomen in de psychiatrische inrichting Wolffenbuttel. Ter observatie. Ze houden hem daar 43 jaar vast. Er verschijnt een artikel in het Surinaamse Koloniaal Nieuws- en Advertentieblad waarin wordt beschreven hoe hij zou zijn ontspoord. Sommigen geloven wat er in de krant staat. Anderen denken dat de gouverneur erachter zat. Er is in elk geval een lastpost tot zwijgen gebracht. Tijdens de opname wordt hij door vriend en vijand vergeten.

Documentaire

Buitenlandcorrespondente Nina Jurna is een ver familielid van Louis Doedel en presenteert eind jaren ’90 een indrukwekkende documentaire over hem.

“Hij dacht dat hij  god was,” zegt een verpleger in deze documentaire van Frank Zichem.

Maar hij heeft het niet over Doedel. Hij praat over de almacht van de toenmalige directeur van de inrichting, meneer Spong: “Ik durf zijn naam nu wel te noemen.”

Ondertussen blijft Doedel gericht op zijn vrijheid. Hij wordt overgeplaatst naar de gesloten afdeling, waar de bewoners volgens een bezoekend familielid “erger worden behandeld dan beesten”. De verplegers heten oppassers. Ze zijn ook nauwelijks opgeleid voor het werk dat ze doen.

Zo vaak hij kan staat de voormalige vakbondsleider onopvallend bij het toegangshek van de voormalige plantage. Hij wacht op een moment van onachtzaamheid, een kans om weg te lopen. Hij waadt meermaals door de kreek, die achter het terrein van de inrichting loopt en die aan de achterkant grenst aan de plaats bij het huis van zijn moeder. Zij ziet geen mogelijkheid om hem aan het koloniale gezag te onttrekken. Doedels “observatie” duurt voort tot hij dement wordt.

De geschiedenis van Louis Doedel eindigt triest. Drie dagen na zijn vrijlating uit de inrichting overlijdt hij.

Hulpverleners die kinderen opsluiten

Chris Chapman is tegenwoordig assistent professor aan de universiteit van York (Canada). Hij leidt maatschappelijk werkers op. Zijn eerste betaalde baan kreeg hij niet vanwege zijn opleiding, ervaring of politieke inzichten, maar omdat hij een man was. Chapman was groepsleider in een instelling voor getraumatiseerde, gehandicapte Aboriginal kinderen. Hij schrijft erover in het artikel “Hoe ik een dader werd“. Daar probeert hij te ontrafelen welke processen eraan ten grondslag liggen wanneer hulpverleners dingen doen die duidelijk tegen hun persoonlijke ethiek ingaan.

“Maatschappelijk werkers […] zien zichzelf als mensen die aan de goede kant staan, die helpen, die op hun werk maar moeizaam door de dag komen omdat de omstandigheden slecht zijn, de hulpmiddelen ontoereikend en de erkenning voor hun werkzaamheden onvoldoende.” Chapman over zijn narratieve project met sociaal werkers in opleiding

Chapman solliciteerde omdat hij politiek gemotiveerd was om iets voor kwetsbare groepen te doen. Hij was heel enthousiast toen hij de baan kreeg, maar merkte al snel dat hij in zijn nieuwe baan de rol van volwassene moest spelen. Dat betekende ook dat hij kinderen van acht jaar en ouder moest fixeren en opsluiten.

“Ik was ingehuurd voor mijn spierkracht. Ik zou een mannelijk rolmodel moeten zijn voor de kinderen.”

Het opsluiten van kinderen was emotioneel moeilijk voor het personeel. Daar werd in de instelling openlijk over gesproken. Na elk incident volgde een debriefing, vooral ook bedoeld om nieuwe stafleden op te nemen in de heersende cultuur.

“Kun je geloven dat ze mij hebben ingehuurd om dit te doen? Sommige kinderen zijn groter dan ik en ik heb nog nooit gevochten.”

Het geweld werd gerationaliseerd. Chapman volgde een cursus waar gesproken werd over de indruk die de traumatische verhalen van de kinderen op de hulpverleners maakten. De vraag of hulpverleners konden bijdragen aan het probleem kwam niet ter sprake. Kinderen opsluiten was noodzakelijk voor de veiligheid. Iedereen zou natuurlijk het liefst de hele dag praten en spelletjes doen, maar als je kinderen wilde helpen die zó beschadigd waren als deze, moest je ze soms fixeren en opsluiten.

Niet iedereen was vatbaar voor dat idee. Een vrouwelijk personeelslid dat bij haar eerste confrontatie zei: “Ik kan dit niet,” en ook direct vertrok, was volgens de rest van het team gewoon te emotioneel. Dat gold ook voor de nachtdienst, die boze en verdrietige kinderen troostte met een beker warme melk. Zij begrepen niet dat het geweld van de staf een noodzakelijke reactie was op het geweld van de kinderen. De staf droeg geen enkele verantwoordelijkheid. Alleen de kinderen konden de situatie veranderen: zij moesten zich als volwassen gaan gedragen. Dan zou geweld niet meer nodig zijn.

“Er is veel in onze wereld om boos, angstig of verdrietig over te zijn,” Maryse Mitchell-Brody, stafmedewerker bij het Icarus Project

Volgens de rationalisatie konden wij op een gezonde manier met onze emoties omgaan. Wij verkeerden terecht in vrijheid. De kinderen waren gestoord en hadden daarom onze interventies nodig. We gebruikten verdoezelende taal. De kamer waar kinderen werden opgesloten heette veilige kamer. Het was van groot belang dat de kinderen onze zienswijze bevestigden.

“Nadat een kind was opgesloten eisten wij dat het de volledige verantwoordelijkheid accepteerde voor de ontstane situatie.”

Wie daartegen protesteerde of naar anderen wees, werd nogmaals een kwartier opgesloten. De kinderen waren de oorzaak van het geweld. De kinderen waren verantwoordelijk voor de gebeurtenissen. Als wij een afspraak maakten en er kwam iets tussen, dan was dat natuurlijk niet onze verantwoordelijkheid.

Op een dag besefte Chapman dat hij dit werk niet meer wilde doen. Hij pakte zijn studie weer op, ontrafelde zijn eigen ervaringen en probeert nu maatschappelijk werkers voor te bereiden op de praktijk van de hulpverlening. Studenten leren aan de hand van praktijkervaringen na te denken over ethiek en rationalisaties van dwang en geweld te herkennen.

“Mensen die (beroepsmatig) willen helpen moeten zich bewust zijn van de mogelijkheid dat we schade doen.”

Citaten (tenzij anders vermeld) uit Chris Chapmans artikel Dader worden.

Ondertussen in Engeland

Steven Neary is een 23-jarige autistische jongen met een ernstige leerachterstand. Hij woont bij zijn vader. Die krijgt in december 2009 griep. Hij voelt zich zo ziek dat hij bang wordt bij de gedachte aan alle vaste rituelen rondom kerst en nieuwjaar. Gelukkig biedt de gemeente uitkomst. Steven logeert elke veertien dagen een weekend in een centrum voor respijtzorg. Hij kent de mensen en voelt zich er op zijn gemak. Zijn vader spreekt met de groepsleiding af dat hij over drie dagen weer thuiskomt.

Assessment

Dan gaat er opeens van alles mis. Vanuit het zorgcentrum wordt Steven onverwacht overgeplaatst naar een centrum voor goed gedrag (positive behaviour centre). Daar moet een assessment plaatsvinden, zodat de gemeente (die voor de aanvullende zorg betaalt) beter kan beoordelen wat Steven nodig heeft. Steven wordt niet voorbereid op de verhuizing. Hij moet een paar weken in het centrum blijven zonder contact met zijn vader en daar reageert hij niet goed op. Dat is niet zo gek voor een jongeman wiens leven draait om vaste punten, vaste gewoonten en bekende mensen. In de eerste week zijn er 41 incidenten.

Ook voor de vader van Steven begint hiermee de nachtmerrie. Terwijl het personeel van het centrum ijverig elk voorbeeld van agressief of onbegrijpelijk gedrag noteert, is het plan voor Stevens toekomst al gemaakt. Na vijf dagen verblijf zijn ze tot de conclusie gekomen dat:

  1. Steven permanent opgenomen moet worden in een unit voor moeilijk gedrag.
  2. Zijn vader het grootste obstakel zal zijn.

Besloten wordt Mark Neary zo lang mogelijk aan het lijntje te houden, terwijl er naar een geschikte instelling voor Steven wordt gezocht.

De vader is het probleem

“Het is altijd wat met Mr Neary,” schrijft de maatschappelijk werker van het centrum voor goed gedrag.

Uit: Get Steven Home, door Mark Neary, uitgeverij lulu.com, 2011

Ruim een jaar later zal de rechter opmerken dat er geen enkele aanleiding of rechtvaardiging was voor zo’n opmerking. Voorlopig denkt Mark Neary, counselor van beroep, dat deze kwestie door een goed gesprek kan worden opgelost.

Het centrum voor goed gedrag houdt vol dat Stevens gedrag thuis niet te hanteren is. Mark Neary denkt dat Steven zich beter zal gaan gedragen zodra hij weer in zijn vertrouwde omgeving komt. De twee hebben zich met ondersteuning 23 jaar lang kunnen redden.

De deskundige

In zo’n geval wendt men zich tot een psychiater. Die heeft een gesprek met vader een zoon, dat moeizaam begint omdat de dokter Steven geen hand wil geven. Die heeft geleerd hoe het hoort en geeft niet op. De psychiater verbergt zich achter zijn imposante bureau en kijkt weg. Na zeven pogingen krijgt de frustratie de overhand. Steven pakt een dossier van het bureau en gooit dat tegen de muur.

“De psychiater begint enthousiast op zijn blocnote te schrijven. Dit is werkelijk een interessant voorbeeld van onverklaarbaar gedrag.”

Tijdens het gesprek maakt een begeleider van Steven aantekeningen. Ze noteert dat hij 22 keer zegt dat hij in het Uxbridge huis (van zijn vader) wil wonen. De psychiater neemt dat niet op in zijn verslag en concludeert dat Steven niet in staat is om te beslissen waar hij zou willen wonen.

Vrijheidsberoving

Als Mark Neary blijft zeggen dat hij Steven naar huis wil halen, maakt de instelling samen met de gemeente gebruik van een DOL (Deprivation of Liberty). Dit is een juridische mogelijkheid om iemand tegen zichzelf in bescherming te nemen. De procedure vereist een assessment, waarbij een onafhankelijke deskundige moet beoordelen wat het belang van Steven is.

Daar ontstaat echter een probleem, want de deskundige mag alleen kijken naar de situatie waarin Steven zich bevindt. In het centrum voor goed gedrag dus, waar zijn gedrag nog steeds uiterst moeilijk is en nauwelijks hanteerbaar voor de professionals. De optie ‘thuis wonen’ wordt niet meegewogen en de DOL wordt driemaal verlengd.

Vanuit het centrum gaat Steven een paar keer per week naar de sportschool waar hij samen met zijn vader kwam en op zaterdag naar het zwembad. Dat zijn belangrijke momenten in zijn week, tot het team besluit dat zoiets helemaal niet kan zonder risk assessment! Steven blijft wekenlang binnen omdat er geen personeel is dat de risico’s van het zaterdagse zwembadbezoek in kaart kan brengen.

Dat leidt tot…u raadt het al: ‘onverklaarbaar gedrag’.

Autonomie

Uit de behandelplannen van het centrum voor goed gedrag blijkt, dat Steven wordt voorbereid op een leven als volwassene. Meer autonomie, is het streven. Zijn vader mag voortaan alleen langskomen als Steven dat zelf wil. En zolang het zwemmen een risico vormt, werkt Steven aan zijn gezondheid door twintig rondjes in de tuin van het centrum te lopen, drie keer per dag. Hij mag niet zelf bepalen waar hij eet of slaapt, maar dweilt op weg naar zelfstandigheid dagelijks de keukenvloer. Dat dan weer wel.

“Ik geloof u helemaal, meneer Neary. Maar als u dit bij de rechter zegt, zullen ze denken dat u een gestoorde, paranoïde vader bent.”
De advocaat, gelezen op de blog van Mark Neary

Het centrum beslist dat als Steven dan toch terug naar huis gaat, dit ook moet worden voorbereid. Er wordt een terugkeerprogramma opgesteld dat zestien weken duurt. (Op dat moment verblijft Steven pas acht weken in het centrum.) Om te beginnen mag Steven op een woensdagmiddag, van vier tot zes, bij zijn vader op de bank zitten.

“Op dat tijdstip zetten we altijd een DVD op van Take That. Het leek me het beste om alles op de normale manier te doen, dus dansten Steven, een vaste begeleider uit de periode voor de opname en ik door de kamer. In een hoekje van de bank zat iemand van het centrum voor goed gedrag een assessment te maken.” gelezen op de blog (zie boven)

Pas toen Mark Neary erachter kwam dat het centrum stiekem werkte aan een permanente plaatsing in Wales, nam hij een advocaat. Veel later kwam hij erachter dat de DOL een mogelijkheid gaf voor juridische bijstand, zowel voor hem als voor Steven.

Steven Neary was bijna een jaar van huis. De rechtszaak duurde drie kwartier en stelde zijn vader op alle punten in het gelijk. Onder verwijzing naar de mensenrechtenwetgeving besloot de rechter dat Steven in zijn persoonlijke vrijheid en in zijn recht op familieleven was aangetast. De gemeente had geen goede reden om dat te doen, en mensen met een ziekte of handicap hebben in dit opzicht precies dezelfde rechten als andere mensen. De gemeente en de instelling hadden de DOL procedure misbruikt om hun zin door te zetten.

De uitspraak in deze zaak kreeg in Engeland veel publiciteit. Op dit moment zijn er nog minstens 1000 kinderen die (soms jarenlang) tegen hun wil zijn opgenomen in een assessment- en behandelcentrum.

WAO’er krijgt Gouden Palm

Daniel Blake is een timmerman. Hij heeft zijn hele leven gewerkt, maar na een hartaanval zegt zijn arts dat hij rust moet nemen. Hij vraagt een uitkering aan. Omdat hij geen verstand heeft van digitale communicatie beginnen de problemen meteen. De scène waarin een medewerkster op de vingers wordt getikt omdat ze hem wil helpen met het digitale aanvraagformulier is heel realistisch (in de bijrollen zien we mensen die zelf voor de uitkeringsinstanties hebben gewerkt). Aan de film is maandenlang onderzoek vooraf gegaan. Door die voorkennis bij de scenarist en omdat de acteurs in sommige scènes niet vooraf weten wat er op ze afkomt, zien de films van Ken Loach er bijna hyperrealistisch uit.

Hoofdpersoon Daniel Blake wordt gespeeld door stand-up comedian Dave Johns. Dit personage is gewend zich op te stellen als een vriendelijke, verantwoordelijke volwassene, die altijd plezier heeft gehad in zijn werk. Hij weet niet dat toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering afhangt van een geloofwaardige presentatie van totale hulpeloosheid. Zijn aanvraag wordt dan ook afgewezen, ondanks het advies van zijn behandelend arts. Nu is hij niet meer ziek, maar werkloos. Hij moet naar het arbeidsbureau, waar hij wordt geconfronteerd met een nieuwe golf van bureaucratie, een zinloze cursus en een jonge vrouw en haar twee kinderen.

Ook in Nederland?

Veel mensen denken dat vooral mensen met een psychische aandoening worden afgewezen voor een WIA-uitkering, maar dat is niet het geval. De ziekte van de aanvrager is in het aanvraagproces bijna irrelevant geworden, met dit soort gevolgen:

“Familie van een terminale kankerpatiënt uit Ermelo overweegt nu de verzekeringsarts die de man 32 uur per week aan het werk wilde zetten, voor de medische tuchtraad te dagen.”

Bericht uit De Stentor. De man in kwestie voelde zich zo opgejaagd, dat hij zelfmoord pleegde.

Iedereen is bang

De tweede hoofdrol is voor Hayley Squires, in de film een ongehuwde moeder die van Londen naar Newcastle vlucht om te voorkomen dat ze in de daklozenopvang eindigt. Op youtube is te te zien wat er gebeurt als ze door onbekendheid met het openbaar vervoer te laat op een afspraak komt. Doe zoals ik: bekijk het fragment een tweede keer en vraag je af waarom het personeel zo bang is voor een vrouw met twee kleine kinderen die alle moeite doet om haar boosheid binnen te houden. Kijk daarna nog een derde keer en vraag je af hoeveel privacy je zelf zou willen als het om gezondheidsproblemen gaat.

Op de persconferentie in Cannes stelde Ken Loach dat deze problematiek in heel Europa hetzelfde is. Hoewel er niet genoeg banen zijn, is werkloosheid ieders persoonlijke verantwoordelijkheid. Een bijna criminele daad, die je wordt aangerekend. Vaak nog het meest door de medewerkers van het arbeidsbureau, die de spelregels herhalen als een mantra en die diep vanbinnen bang zijn om zelf aan de andere kant van de kloof terecht te komen.

“Laaghangend fruit”, Scenarist en onderzoeker Paul Laverty zegt dat insiders toegeven dat vooral de mensen die echt hulp nodig hebben slachtoffer worden van de digitalisering en de draconische straffen voor elke vergissing. “Als we het verhaal werkelijk schrijnend hadden willen maken, hadden we iemand met psychische problemen als hoofdpersoon moeten kiezen.”

Optimisme

Ken Loach begon 50 jaar geleden met het maken van sociaal-realistische films. Zijn engagement is onbeschadigd gebleven. Hij praat met nog steeds dezelfde hartstocht over een wereld die beter kán, omdat hij beter móét. We leren gewone mensen kennen, van heel dichtbij. Dat maakt hun gefictionaliseerde werkelijkheid bijna ondraaglijk. Dat is een gebrek aan objectiviteit, maar het geeft een stem aan mensen die normaalgesproken niet gehoord worden, en die deze week opeens te gast zijn aan de Franse Rivièra.

Op de persconferentie in Cannes citeert hij Berthold Brecht:

“When I say what things are like, it will break the hearts of all.”

Diezelfde persconferentie laat zien hoe optimistisch dat is. Een verslaggever van de Times vraagt of de film ook in Engeland voorzien zal zijn van Engelse ondertitels. (Iemand legt geduldig uit dat die in Cannes vanwege het internationale publiek en het Geordie-accent van de acteurs waren toegevoegd.) Een volgende vraagsteller wil weten wanneer Ken Loach een film gaat maken over het Koerdische vluchtelingenprobleem. Het ziet ernaar uit dat geen van de aanwezigen zijn hart voelde breken bij het zien van de dagelijkse werkelijkheid aan de onderkant van het rijke Europa. De zieke Daniel Blake is voorlopig nog aangewezen op de voedselbank.