Maand: september 2017

Therapeutische waarheid

“Ik geloof de slachtoffers,” zegt een lezer van Tzum. Het is een reactie op de publiciteit rondom Griet Op de Beecks nieuwe boek: “Het beste wat we hebben.” Een disclaimer vooraf: ik heb het niet gelezen. Maar dit verhaal gaat niet over de inhoud van het boek, het gaat over hervonden herinneringen. “Ik geloof de slachtofffers.” Dat is een principe-uitspraak. Wat de slachtoffers zéggen is niet het allerbelangrijkste. Het gaat erom dat er slachtoffers aan het woord komen. En als je slachtoffers sceptisch benadert, hoor je eigenlijk al in de gelederen van de daders thuis.

In een reactie op alle commotie zegt Griet Op de Beeck op Facebook: “De angst om niet geloofd te worden is dé reden voor slachtoffers om het geheim te blijven torsen.” Ik kan me voorstellen dat het zo werkt. Zeker als het misbruik lang geleden is en er geen getuigen of fysieke bewijzen (meer) zijn. In het geval van Griet is de dader zelfs al overleden. Maar dan komt er een heel belangrijke uitspraak:

“benoemen van wat was is het begin van alle beter,” zegt de schrijfster.

Of dát waar is, weet ik niet.

Het is een therapeutische waarheid, Zoals de lezeres hierboven zou kunnen zeggen: “Ik steun het slachtoffer, de waarheid is voor mij irrelevant.” Zo zegt de therapeut: “Wat de cliënt helpt is helend. De spreekkamer heeft haar eigen waarheid.” Er zijn zelfs therapeuten die denken dat het waarheidsgehalte van afschuwelijke herinneringen volkomen onbelangrijk is. Als de patiënt het trauma heeft ontdekt, kan het worden verwerkt. En alleen zó word je beter. Voor cliënten is het reconstrueren van de gebeurtenissen vaak niet genoeg. Ze nemen de hervonden herinneringen mee naar buiten. Ze confronteren hun ouders en andere gezinsleden ermee. Soms stappen ze naar de politie. Elizabeth Loftus (hier te zien op TED) beschrijft in haar boek “Graven in het geheugen,” het verhaal van een man die zij het pseudoniem “Doug Nagle” geeft.

“De hele maand april probeerde Doug zich te ‘herinneren’ dat hij zijn kinderen had misbruikt.” Elizabeth Loftus, Graven in het geheugen, Uitg. Veen, Amsterdam, 1995

Dougs dochter Jennifer had van haar therapeute een boek gekregen waarin stond dat veel van de symptomen bij volwassenen (angst, paniekaanvallen, depressie, relatieproblemen, eetstoornissen) zijn terug te voeren op misbruik in je jeugd. Op gebeurtenissen die totaal verdrongen zijn. Therapie kan helpen om deze herinneringen op te halen. Er stond ook in dat incest heel erg vaak voorkwam. Meer dan driekwart van de vrouwen in therapie zou zijn misbruikt.

Een therapeut schrijft: “Tot nu toe hebben wij met niemand gesproken die dacht dat zij misbruikt was en later ontdekte dat het niet zo was. Het gaat altijd de andere kant op, van vermoeden naar bevestiging. Als je denkt dat je misbruikt bent en je leven toont daar de symptomen van, dan ben je misbruikt.”
Elizabeth Loftus, zie hierboven.

Jennifer Nagle komt na tien maanden intensieve therapeutische sessies tot de conclusie dat ze is misbruikt. Ze verbreekt het contact met haar vader.

De symptomen die deze therapeuten beschrijven, zijn weinig specifiek. Het is niet aannemelijk dat seksueel misbruik de enige mogelijke verklaring is, maar omdat het om verdrongen herinneringen gaat, passen therapeuten een heel arsenaal aan technieken toe om toegang te krijgen tot het verleden. Hypnose, associatie, creatieve opdrachten, geleide fantasie. Weerstand van de cliënt is te verwachten: niemand wordt graag aan haar trauma’s herinnerd.

Elizabeth Loftus schreef geen boek over traumatherapie, haar specialisme is het geheugen. Vanuit haar wetenschappelijke kennis is ze sceptisch over de golf in psychotherapie hervonden herinneringen. Ze beschrijft hoe makkelijk het is om mensen een herinnering aan te praten.

“Weet je nog hoe je verdwaalde in het winkelcentrum?”

Ook de betrouwbaarheid van herinneringen is twijfelachtig. De huidige kennis van het geheugen lijkt erop te wijzen dat de herinnering wordt gereconstrueerd. Hij staat dus niet in geuren en kleuren op je harde schijf – hij wordt uit losse fragmenten samengesteld. Een groep onderzoekers ondervroeg kinderen die tijdens een schoolreisje waren gegijzeld kort nadat ze waren bevrijd. Drie jaar later lieten ze de kinderen hun verhaal opnieuw vertellen. Het tweede verhaal week sterk af van het eerste. Het was vermengd met informatie uit de krant, ervaringen van anderen en losstaande gebeurtenissen. Juist van ingrijpende, angstige ervaringen denken we ons alles precies te herinneren, maar dat is niet waar. Overigens had geen van de kinderen zijn of haar ervaring “verdrongen”. Integendeel.

Wat in de spreekkamer gebeurt, speelt zich niet af in een vacuüm. We leven in een cultuur waarin ziekte soms het enige excuus is als je iets niet wilt, of kunt. (Werken, bijvoorbeeld.) Mensen voelen zich ongelukkig en ongemakkelijk. Die ervaringen worden door de media gepathologiseerd. Een rouwproces dat langer dan twee weken duurt, heet volgens de DSM een middelzware depressie en is reden voor een bezoek aan de psycholoog. En dan gaan therapeut en cliënt samen op zoek naar de oorzaak van het probleem. Het trauma dat verklaart waarom dingen nu tegenzitten.

Ik heb het hier nadrukkelijk niet over Griet. Ik heb haar boek niet gelezen en ik ben niet bij haar in de spreekkamer geweest. Het is ook niet mijn bedoeling om psychische problemen te bagatelliseren. Ik weet dat verdriet verlammend kan zijn en dat langdurige gevoelens van onmacht en onvrede slopend kunnen werken. Ik wil alleen een vraagtekken zetten bij de theorie achter de hervonden herinnering en bij het idee dat deze benadering de enige of de beste manier zou zijn om je huidige problemen aan te pakken.

Reacties zijn welkom.

 

 

Advertenties

Alleen gevaarlijk voor meisjes?

In april stond het bericht in De Stentor: een orthodontist mocht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg geen vrouwelijke patiënten meer behandelen. De inspectie legde die maatregel op en ging een tuchtklacht voorbereiden. Er liep ook een strafrechtelijk onderzoek. Blijkbaar is dit een tijdelijke maatregel die een middenweg zoekt in een lastige situatie. De orthodontist hield, en houdt, vol dat hij valselijk beschuldigd is door mensen met geestelijke en financiële problemen. Maar bij de inspectie en de politie lag een groot aantal klachten van vrouwen en meisjes vanaf dertien jaar, die erg geschokt waren door het gedrag van de orthodontist. Er was sprake van seksueel grensoverschrijdend gedrag: onnodige en ongewenste aanrakingen, pogingen tot omhelzingen en zoenen. Zaken voor het Tuchtcollege.

Waarom dan een gedeeltelijk behandelverbod?

Is het om de ortodontist te sparen? Is het om de praktijk te redden voor het geval er geen tuchtmaatregel volgt? Als dat zo is, is het niet de juiste oplossing. Een gedeeltelijk behandelverbod maakt van vrouwen en meisjes een speciale categorie patiënten. Een groep die bijzondere bescherming nodig heeft, tegen mannen die hun handen niet thuis kunnen houden. Dat is echter niet wat hier aan de hand is. Vrouwen en meisjes beklagen zich over een behandelaar die grenzen overschrijdt, die als zij in de stoel liggen niet bezig is met orthodontie, maar met zaken die niet in een behandelkamer thuishoren.

Zo kun je niet met je patiënten omgaan. Het gaat hier om ontoelaatbare handelingen, die op geen enkele manier te verenigen zijn met het uitoefenen van een medisch beroep. Zo’n behandelaar heeft niet alleen een probleem met vrouwen en meisjes: zo’n behandelaar is ongeschikt.

Wie zoiets doet, zou definitief uit het BIG-register geschrapt moeten worden.

Dat is in het geval van orthodontist Jahid Payam ook gebeurd. Een half jaar later. Het bericht staat in de vakbladen en op de Zwarte lijst Artsen. Daar is ook een uitgebreid overzicht te vinden van de klachten en het verweer. Orthodontist Jahid Payam staat niet meer in het BIG-register. Zijn inschrijving is bij voorlopige voorziening geschorst.

Zijn broer, tandarts Jamrad Payam, is tijdelijk geschorst wegens seksueel grensoverschrijdend gedrag.

De inspectie wil dat de orthodontist definitief wordt doorgehaald. Ze vindt dat de kans op herhaling te groot is, vanwege het aantal aangiften en omdat er een nieuwe klacht tegen de orthodontist werd ingediend, nadat hij door de politie was verhoord.

Het Rode Kruis: eerst zelf opruimen?

Deze week is er veel aandacht voor de inzamelingsactie voor Sint-Maarten. Daar is veel hulp nodig, dat staat vast. Toch vragen veel mensen zich af of hun gift op de juiste plaats terechtkomt. Er zijn honderden privé-initiatieven, vaak van mensen met familie op het eiland. En dan is er het Rode Kruis. In haar eigen woorden: Dé noodhulporganisatie.

Het Rode Kruis bestaat 150 jaar en heeft dus een lange geschiedenis. Een belangrijk deel van die geschiedenis blijft al jaren onderbelicht: de Tweede Wereldoorlog. In Nederland werd pas in 2005 voor het eerst erkend dat de organisatie zich niet aan haar eigen grondbeginselen had gehouden. Men achtte zich inmiddels wel in staat om lessen te trekken uit het eigen verleden. Er zou een onderzoek komen, door het NIOD. De omvang van dit onderzoek wordt door het Rode Kruis bepaald en de resultaten worden in november 2017 verwacht. Voor wie eerder wil weten wat er gebeurd is: veel feiten zijn bekend.

Mensen helpen zonder rekening te houden met hun etniciteit, afkomst of overtuiging is uiterst moeilijk, zeker in een oorlog. Maar dat is wel wat het Rode Kruis steeds opnieuw belooft. Misschien had het Nederlandse Rode Kruis van tevoren niet goed nagedacht over de gevolgen van de aanstelling van een SS-er als hoofd van de organisatie, maar het ontsloeg zonder aarzelen haar Joodse vrijwilligers. Voor bloedtransfusies waren geen joodse donoren meer nodig, vond het Rode Kruis.

In Duitsland nam het Deutsches Rotes Kreuz (DRK) al voor de Nationaal-Socialistische machtsovername een proactieve houding aan. De leiding van het Duitse Rode Kruis werkte nauw samen met de Nazi’s, zowel in de verpleging van Duitse soldaten als in de opbouw van een Nationaal-Socialistische gezondheidszorg in Duitsland. In 1933 werden Joodse vrijwilligers uitgesloten en werd de politieke neutraliteit van de organisatie voor de komende twaalf jaar opgeheven. Men wilde graag het monopolie op de ziekenverpleging. Dat leverde veel geld en een ongekende uitbreiding van de organisatie op. Verplegen was onder de Nazi’s iets heel anders dan nu. De vlag bij het Duitse wikipedia-artikel schetst het verhaal: daar vindt het Rode Kruis bescherming onder de vleugels van een adelaar met een hakenkruis erop. Deze Nationaal-Socialistische vorm van verplegen heeft als doel niet de individuele zieke, maar de staat. Voorafgaand aan de bezetting van Europa werden in Duitsland ziekenhuizen en verpleeginrichtingen leeggeruimd, in afwachting van de gewonde soldaten. Gehandicapten, ouderen en mensen met psychische problemen zijn systematisch vermoord. Volgens dokters uit die tijd leidden zij een ballastbestaan. Uit de gezondheidszorg (die veelal christelijk was) kwam nauwelijks verzet. Dokters en veplegers doodden hun patiënten, uit naam van de gezonde toekomst van het Reich.

De omvang van dit beleid en de uitvoerders zijn tot in de details onderzocht en beschreven door onderzoeksjournalist Ernst Klee in zijn (duitstalige) boek “Euthanasie” in het Derde Rijk. In een later boek beschrijft Klee wat er na de oorlog van de Nazi-artsen geworden is: “Was sie taten, was sie wurden”. Je zou dat kunnen vertalen als: “Wat ze deden en wat er van ze geworden is.”

Veel rechters waren mild voor deze artsen, die bij de naoorlogse processen vaak gezondheidsklachten aanvoerden als verzachtende omstandigheid. Maar voor sommigen was al voor het einde van de oorlog duidelijk dat ze er niet met vrijspraak af zouden komen. En zij kregen hulp. Alsof het Rode Kruis zich plotseling de omvang van haar missie herinnerde: zij hielpen iedereen aan een nieuwe identiteit en een adres in een ver land. Eichmann, Mengele, Barbie. Lang na de oorlog kreeg Gerald Steinacher toestemming om de archieven van het Rode Kruis te onderzoeken. Hij stelde vast dat de hulp aan vluchtende Nazi’s veelomvattend en systematisch was. Het Rode Kruis zegt dat deze misdadigers gebruik hebben gemaakt van de heersende chaos en zich reisdocumenten voor onschuldige vluchtelingen hebben toegeëigend. Overigens met hulp van het Vaticaan, die wel wisten om welke mensen het hier ging.

Dit belangrijke stuk geschiedenis is, ook in Duitsland, tot in de jaren 1980 volledig genegeerd. Omdat de motivatie om patiënten op te offeren aan het (vermeende) belang van de staat voor een belangrijk deel economisch was, denk ik dat dit verhaal onderdeel zou moeten uitmaken van elke opleiding in de hulpverlening en de gezondheidszorg. Want wat betekent dat in de praktijk: “Hulpverlening zonder aanzien des persoons?” Daar moet je bij elke oorlog en bij elke natuurramp opnieuw over nadenken. En dat geldt niet alleen voor het Rode Kruis.

Samenvattend: In Nederland heeft het Rode Kruis tijdens de Tweede Wereldoorlog samengewerkt met de bezettingsmacht en daardoor actief mensen gediscrimineerd. Men heeft concentratiekampen bezocht, maar geen hulp gegeven aan joodse (en communistische) gevangenen. Na de oorlog heeft het Rode Kruis de overlevenden, die wachtten op repatriëring, lange tijd in de steek gelaten. Vluchtende Nazi’s konden wel op bijstand rekenen. Na zeventig jaar wil men weten wat er mis ging, maar noemt men excuses een loos gebaar. De grootste humanitaire organisatie ter wereld kan haar zelfgegeven opdracht pas inhoud geven, als zij het eigen verleden onder ogen ziet.