Een subjectief verhaal

Dit weekend stond het in Trouw. Een interview met epidemioloog Dick Bijl, bekend van het Geneesmiddelenbulletin. Hij schreef het voorwoord bij de Nederlandse uitgave van het nieuwe boek van Peter Gøtzsche: “Dodelijke psychiatrie“.

“Wie naar de psychiater gaat, krijgt doorgaans minstens één stigmatiserende diagnose en één gevaarlijk medicijn.”

Wie zonder kan, kan beter wegblijven.

Het zijn harde woorden. Ze leveren Gøtzsche veel kritiek op, met name van collega’s.

Maar hij is niet zomaar een commentator. Peter Gøtzsche is bioloog, internist en mede-oprichter van de Cochrane Collaboration, een non-profitorganisatie van onderzoekers die veel meer verstand hebben van statistiek dan de gemiddelde arts of psycholoog. Als zij zeggen dat veel medicijnonderzoek niet deugt, dat het lange-termijnonderzoek ontbreekt en dat de bijwerkingen niet serieus worden genomen of niet eens gerapporteerd, dan moeten de gebruikers van de (geestelijke) gezondheidszorg hun oren spitsen.

Voor mij riep dit krantenbericht herinneringen op. Vijftien jaar geleden meldde ik me bij de plaatselijke GGZ met een ernstige depressie. Ik had daar ervaring mee en wilde geen medicijnen gebruiken.

“Ik wil graag een hulpverlener die gelooft dat er alternatieve mogelijkheden zijn om een depressie te behandelen.”
“Die hebben wij niet. Dan moet je een homeopaat zoeken.”

Er was alleen de standaardaanpak van de GGZ: “pillen en praten”. Het maakte niet uit welke van de honderden diagnoses uit de DSM op jou van toepassing waren, hoe je verleden eruitzag, wat je persoonlijke overtuiging of voorkeur was. De GGZ had één aanpak voor alle cliënten. Met heel veel moeite kreeg ik een psychotherapeut toegewezen die mijn weigering om medicijnen te gebruiken accepteerde, al herinnerde me ze halfjaarlijks aan de mogelijkheid van een behandeling met medicijnen.

“Anders krijg ik last met mijn baas.”

Mijn huisarts deed hetzelfde. Sommige van mijn vrienden begonnen met hun ogen te draaien als ik weer eens een monoloog hield over de gevaren van de zogenaamde antidepressiva. Ondertussen pleegden twee mensen in mijn naaste omgeving zelfmoord. Zij hadden hun pillen wel ingenomen. We dachten dat het beter met ze ging. En toen waren ze opeens dood.

Mijn huisarts vertelde me over het stofje in mijn hoofd. Wetenschappers hadden vastgesteld dat er bij mensen zoals ik iets mis was met de neurotransmitters.

“Niets om je voor te schamen. Waarschijnlijk is het aangeboren.”
“Is daar bewijs voor?”
“Zeker, ik ben pas nog naar een bijscholing geweest.”
“Doet u mij dan maar een bloedtest, dan kunnen we zien of het bij mij ook zo is.”

Ze legde uit dat ik het zo niet moest zien. Er kwamen plaatjes uit de MRI-scanner op tafel.

“Die veranderingen in de neurotransmitters, zijn die nu de oorzaak of het gevolg van de depressie?”
“Dat weten we nog niet. Maar bij veel chronische psychiatrische patiënten zijn er aantoonbare veranderingen in de hersenen.”
“Maar u weet niet precies hoe het werkt?”

Dat gaf ze, met tegenzin, toe.

“Dan houd ik het bij de gesprekstherapie.”

Praten was overigens niet het enige dat ik deed. Ik wandelde, fietste, bleef niet langer tot diep in de nacht op. Stopte met roken. (Alcohol stond me altijd al tegen, net als elk ander middel dat een merkbaar effect heeft op mijn stemming). Af en toe een paracetamolletje, voor de hoofdpijn. Om een dagritme te kunnen volhouden gaf ik mijn appartement op en trok weer bij mijn ouders in. Dat hielp ook tegen het isolement. Ik had inmiddels geen werk meer en omdat ik zelden buitenshuis kwam, was het lastig om vriendschappen te onderhouden.

Toen ik las dat de stofjestheorie niet door de onderzoeksafdeling van de pillenfabrikant, maar door de reclamejongens was verzonnen, werd ik voor het eerst boos. Ik ging me in het onderwerp verdiepen en las over (zelf)moorden, onvindbare onderzoeksgegevens, de lobby van de farmaceutische industrie, die aan marketing twee keer zoveel geld uitgeeft als aan onderzoek en aan de wankele basis van psychiatrische diagnoses en de hele biologische psychiatrie.

Bij de GGZ veranderde ondertussen helemaal niets. Ik ben overgestapt naar een vrijgevestigde psycholoog. Dat heeft ook nadelen, want doorgaans weet ik pas in juni of mijn verzekeraar de kosten in het lopende jaar wil gaan vergoeden. Het voordeel is dat ze mijn standpunt over medicijnen respecteert en mee wil denken over alternatieven.

Het heeft me altijd verbaasd dat je kon kiezen tussen de biologische aanpak en het zweefcircuit. Wie ‘nee’ zei tegen de homeopathie en de pillen, bleef alleen achter.

Tot nu toe.

Want er borrelt iets. De Canadese psychiatrische abolitionist Bonnie Burstow hield vorige week een lezing in de openbare bibliotheek van Toronto voor een groep van 212 mensen. Allemaal hadden ze de moeite genomen om naar haar te komen luisteren omdat ze ontevreden zijn over het functioneren van de psychiatrie. Omdat ze negatieve ervaringen hebben, hun vertrouwen in de hulpverlening kwijt zijn of in hun omgeving zien dat mensen niet beter worden.

Ook mijn verhaal is geen succesverhaal. (En misschien is dat de reden waarom ik zo terughoudend ben geweest om erover te praten.) Want vijftien jaar later ben ik niet beter. De stemmingsproblemen zijn nog even heftig als toen ik met de therapie begon. En ook de lichamelijke klachten (migraine, darmklachten, spierpijn, verlaagde weerstand, bloedarmoede, ontstekingen van allerlei aard) maken het dagelijks leven erg moeilijk.

Volgens mij is dit een zeer onderbelicht aspect van depressie, dat creativiteit en aandacht verdient. Het is mijn ervaring dat mensen met psychische klachten meer moeite moeten doen om gehoord te worden als ze ook lichamelijke problemen hebben. Die worden vaak zonder nader onderzoek aan de psyche toegeschreven, terwijl het ook een invalshoek voor een therapie zou kunnen zijn. De wisselwerking tussen lichamelijke en geestelijke aspecten bij depressie zou een uitgangspunt moeten zijn, geen nieuwe invalshoek.

Voor de toekomst zou ik willen dat psychiaters en psychologen bereid zijn om helemaal opnieuw te kijken naar de geschiedenis en de ontsporingen van de psychiatrie. Er zouden nieuwe beschrijvingen moeten komen, nieuwe diagnoses. In samenspraak met individuele cliënten zouden verhalen kunnen worden uitgewisseld en vergeleken. Het Hippocratische uitgangspunt “geen schade doen” zou daarbij leidend moeten zijn.

Tot nu toe heeft de biologische psychiatrie ronduit schamper gereageerd op de duizenden persoonlijke verhalen die hun weg naar de media hebben gevonden.

“Dat is subjectief,” zeiden ze. “Dat bewijst helemaal niks. Wij bedrijven evidence-based gezondheidszorg.”

Maar schrijvers als Bijl en Gøtzsche tonen aan dat het wetenschappelijk gehalte van de biologische psychiatrie een vette onvoldoende verdient. We moeten terug naar de tekentafel. Om te beginnen bij de anamnese, het persoonlijke verhaal van de individuele cliënt. We hebben namelijk niets anders.

 

Advertenties

3 gedachtes over “Een subjectief verhaal

  1. Jeetje lieve Kaya, wat een bijzondere blog vind ik dit, heel veel respect voor hoe je je zo kwetsbaar op durft te stellen. Ik vind ook dat er te snel medicatie word voorgeschreven. ik had amper een gesprek gehad of ik kon de medicatie al ophalen bij de apotheek en daarmee was het probleem opgelost. Er zitten zoveel nadelen aan medicatie en je hebt helemaal gelijk dat er meer naar ieders persoonlijke verhaal moet worden geluisterd Bij mensen met een depressie maar ook bij mensen met psychoses e.d.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s